Als oud politieagent heb ik in veel wijken van Rotterdam en omstreken mogen werken. Twaalf jaar heb ik gewerkt op Rotterdam Zuid, waarvan de meeste jaren in het dorp waar ikzelf nog steeds woonachtig ben.


Ik ben van de generatie agenten die geworven zijn met de slogan “Als je mond het beste wapen is!” een slogan die ik als agent in mijn eigen dorp als handvat heb gebruikt. Boetes schrijven deed ik weinig, volgens mijn baas te weinig, ik loste het vaak pratend op. Letterlijk en figuurlijk zat ik tussen de jeugd van mijn dorp in. Ik wist wat er speelde, wie deed wat, wie sloopte de boel, wie had er met wie ruzie, wie zorgde ervoor de cocaïne, pilletjes, speed en weed! De jeugd wist wat ze aan me hadden, afspraak is afspraak en pis je naast de pot ben je van mij! De regels van het kat en muisspel waren voor iedereen duidelijk, kleur en afkomst deden er niet toe. Bij mij kon de jeugd hun ei kwijt, problemen werden besproken en zo nodig opgelost. Als het even kon dan hielp ik de jeugd aan werk of aan de juiste zorg. Ik ging tijdens mijn diensten vaak alleen de straat op. Ook na de Koninginnenacht als dit feest weer eens op een slachtveld met de politie was uitgedraaid en hadden mijn collega’s en ik stenen en flessen staan koppen. Mijn vertrouwenspositie bij de jeugd was zo sterk dat ik dit zonder zorgen om mijn veiligheid kon doen, ook hier dacht mijn baas vaak anders over, maar liet me hier niet door tegen houden om toch alleen de straat op te gaan.

Anders was het werken op Rotterdam Zuid. Rotterdam Zuid kent een aantal probleemwijken waar drugs en geweld aan de orde van de dag waren. Mijn eerste slachtoffer van een schietpartij maakte ik mee op de eerste dienst buiten mijn eigen dorp. Ik kan mij nog goed voor de geest halen hoe het slachtoffer van deze schietpartij reageerde, voor hem was het “One Day At The office” risico van het vak leek het wel! Na deze dienst heb ik mij serieus afgevraagd of dit echt had plaatsgevonden. De wereld op nog geen tien kilometer van mijn huis was letterlijk een oorlogsgebied! Iedere dag werd er geschoten in deze wijken. Er werd met handvuurwapens op elkaar geschoten, gestoken met messen en hele magazijnen van Uzi’s leeggeschoten op elkaar. De vraag waarom werd me al snel duidelijk, deze oorlog ging om drugs en geld, heel veel geld!
De gevaren voor de politieagenten in deze wijken werden zo groot dat er werd besloten, nog voor heel Nederland erop overging, om ons uit te rusten met schiet- en steekwerende vesten die we tijdens onze dienst onder onze uniformkleding moesten dragen. Hoe belachelijk ik het ook vond dat dit nodig was, ben ik dit vest gaan dragen en heb nooit meer een dienst zonder gelopen.

Mijn mond, die altijd mijn sterkste wapen was, had in deze wijken totaal geen invloed. Het slag volk waar we mee te maken hadden luisterde alleen maar naar geweld of dreigen met geweld. De meeste aanhoudingen gingen gepaard met verbaal geweld, of met fysiek geweld. Hard optreden moest, anders werd je onder de voet gelopen, hier op straat gold de wet van de sterkste!

De clientèle waar ik mee te maken kreeg waren voornamelijk mensen met een buitenlandse afkomst, samen gepropt in achterstandwijken zoals de Millinxbuurt, Afrikaanderwijk, Tarwewijk en Hoogvliet. Voor vele waren de leefomstandigheden ronduit erbarmelijk en was de stap naar de criminaliteit klein en de kans om snel en eenvoudig veel geld verdienen. De “geslaagde” crimineel herkende je met gemak, want met mooie auto’s, kleding en een hoop bling bling werd dat voor de buitenwereld niet onder stoelen of banken gestoken.

Als je als agent dag in dag uit met deze laag van de bevolking te maken hebt krijg je een vertekend beeld van de werkelijkheid, zoals mevrouw Van der Anker ooit zei: De politie heeft last van beroepsdeformatie! Je krijgt moeite om niet iedereen over een kam te scheren. Als ik vanuit het oorlogsgebied in mijn eigen veilige thuisomgeving was, merkte ik dat ik veel meer wantrouwe had tegen mij onbekende gekleurde personen. Toen ik na twaalf jaar bij de verkeerspolitie ging werken, kwam na verloop van tijd mijn gevoel weer terug en kon ik gekleurde mensen weer zonder gekleurde bril benaderen en kon ik ook weer normaal een gesprek aangaan en weer de kat zijn die op muizen jaagt.

Was ik in de tijd dat ik op Zuid werkte een racistische politieagent, vraag ik me wel eens af! Ik ben voor mijzelf tot de conclusie gekomen dat ik nooit racistisch ben geweest. Door de omstandigheden in mijn wereld van toen had ik bijna alleen maar met de gekleurde medemens te maken, waardoor je als blanke politieagent al snel wordt weggezet als racist. Ik had ook veel liever meer soorten vis in mijn vijver gehad om uit te vissen, helaas was de vijver vergeven van de roofvissen en ontnamen je het zicht op de mooie tropische vissen!

Wat ik met deze blog wil vertellen is dat politiewerk moeilijk en zwaar werk is en zeker als je dag in dag uit met de zelfkant van deze maatschappij te maken hebt. Ik zeg hiermee niet dat racisme binnen de politie niet voorkomt, maar te lang in een moeilijke wijk werken werkt beroepsdeformatie in de hand en dat moet worden voorkomen voor het omslaat in racisme. Hoe dat te bewerkstelligen is aan de Politiek en de Nationale politie.